Boxmeer – Sint-Petrusbasiliek

Basiliek van Sint-Petrus en -Paulus 

Orgel Concerten Kerk Orgelkring

Van Sasse van Ysseltstraat 8
5831 HD Boxmeer

Foto’s Wout van Kuilenburg
Bekijk locatie op GoogleMaps

De orgelgeschiedenis
van het Bremser/Verschueren-orgel (1677-1959)

In de jaren 1634 tot 1637 werd een fraai nieuw oksaal gemaakt voor de Petruskerk in Boxmeer. Dit oksaal heeft altijd tegen de west- of torenmuur van de kerk gestaan, en in 1677 plaatste de Mechelse orgelmaker Blasius Bremser  (1646-1679), een goede bekende van de Vlaamse karmelieten, die in 1652 in Boxmeer waren neergestreken, hierop een nieuw orgel. Men nam lange tijd aan dat Ruprecht uit Anholt in 1677 de bouwer van het orgel was. Vermoedelijk was het echter Blasius Bremser uit Mechelen die een nieuw orgel leverde met hoofdwerk en aangehangen pedaal onder advies van de toenmalige organist Hubertus a Sancto Joanne; het werd mogelijk geplaatst op het oksaal tegen de torenwand, en de klaviatuur bevond zich aan de achterzijde. De plaatselijke schrijnwerker Daniël Heymericx leverde de kas.
In 1679 wordt Benedictus a Sancto Josepho Buns (1642-1716) de nieuwe organist.
In 1688 leverde Jan van Dijck een Positief als derde volledige klavier naast het hoofdwerk en het Reciet of Borstwerk.
Het vrijwel gelijktijdig overlijden van Van Dijck en Bremsers opvolger Paul Munnick in 1695 noodzaakte organist Buns om Conrad Ruprecht naar Boxmeer te laten komen om zo borg te kunnen staan voor het eventuele onderhoud aan het nieuwe orgel. Zo smolten in Boxmeer de zuidnederlandse en de westfaalse invloeden samen in het werk van Ruprecht.
Het instrument raakte in 1732 beschadigd door blikseminslag, maar werd hiervan volledig hersteld. 
In 1844 werkte Wilhelm Rütter aan het orgel; het vrije pedaal is aan hem toe te schrijven. Broekhuijzen vermeldt het orgel twee keer, eenmaal onder de R. Cath. Kerk, en eenmaal onder Capel Carmelieten mannen klooster. Beide disposities betreffen echter hetzelfde orgel. De reden hiervoor ligt in het feit dat de parochiekerk vanaf 1652 tevens kloosterkerk van de karmelieten werd.
In de Tweede Wereldoorlog raakte de kerk in Boxmeer zwaar beschadigd. Parochianen hadden het oksaal en de orgelkas in veiligheid gebracht, maar het binnenwerk van het instrument ging verloren. In 1952 was de nieuwe kerk gereed. 

Het orgel werd hier weer in opgesteld door de Boxmeerse orgelfabriek J. Winkels & Zn. Verschueren plaatste in 1959 een nieuw binnenwerk in de historische orgelkas, gemaakt door de Boxmeerse schrijnwerker Daniël Heymericx. De kas werd verzaagd, waarna het onderpositief als rugwerk nieuw leven kreeg. Het oorspronkelijke oksaal was in 1885 ingekort en verplaatst naar het zuidertransept. In 1959 herkreeg het oksaal na restauratie zijn oude plaats tegen de torenmuur. 

Info: Wout van Kuilenburg, Boxmeer.


Detail oksaal.

Orgelgeschiedenis 

1526– Het kerkorgel was defect.
1548– Het orgel werd hersteld door ene Meester Jan uit Geldern.
1611– Albert Kiespenning uit Nijmegen plaatste hier voor ?850 een ‘Köstelichem Orgell’ [archief Pastoor en kerkmeesters No. 15]. Dit gebeurde onder pastoor J. Franssen.
1677– Vermoedelijk was het Blasius Bremser uit Mechelen die een nieuw orgel leverde met hoofdwerk en aangehangen pedaal onder advies van de toenmalige organist Hubertus a Sancto Joanne; het werd mogelijk geplaatst op het oksaal tegen de torenwand, en de klaviatuur bevond zich aan de achterzijde. De plaatselijke schrijnwerker Daniël Heymericx leverde de kas.
1679– Benedictus a Sancto Josepho Buns (1642-1716) wordt de nieuwe organist.
1688– Van Dijck leverde na Bremsers overlijden een onderpositief met 5 hele en 2 halve stemmen.
1731– Bliksemschade treft het orgel, waarna het het jaar daarop hersteld werd.
1790– Opnieuw werd het getroffen door de bliksem die langs het klokkentouw neerdaalde en een van de zes kolommen van het oksaal vernielde. Bij een van deze herstellingen moet de dispositie van het Positief gewijzigd zijn.
1844– Onder advies van Broeder Gregorius van Dijk (1816-1894) bouwde Rütter uit Kevelaer een nieuw vrij Pedaal met 4 stemmen. De pentekening van Johannes Bosboom uit 1852 toont Broeder Gregorius aan de toetsen van het instrument. Broekhuyzen noteerde onder B53 de dispositie van dat moment, waarbij moet worden opgemerkt dat de voetmaat van de Quint 2 2/3 dient te zijn, en dat het Borstwerk waarschijnlijk aanwezig was in de vorm van een Reciet- of Echoklavier, een discantklavier zoals dat vaker voorkwam in de zuidelijke Nederlanden. Toen Jan van Dijck het Onderpositief geleverd had verzuchtte Buns dat hij nu eindelijk een orgel met twee volledige klavieren had…. ook al was de omvang daarvan C, D, E, F, G, A – c3.

HoofdmanuaalPositief
Bourdon 16′
Prestant 8′
Viol di Gamba 8′
Holpijp 8′
Octaaf 4′
Roerfluit 4′
Quint 2 1/3′
Blokfluit 4′
Flageolet 2′
Mixtuur 3 st.
Trompet 8′
Holpijp 8′
Viol di Gamba D 8′
Prestant 4′
Holpijp 4′
Supoctaaf 2′
Mixtuur 2 st.
Kromhoorn 8′




BorstwerkPedaal
Holpijp 8′
Speelfluit 8′
Doublette 2′
Voxhuma 8′







Subbas 16′
Octaaf 8′
Violoncello 8′
Kwintbas 5 1/3′
Prestant 4′
Bazuin 16′





1885– M.H. van ’t Kruijs noteerde in zijn dispositieverzameling nagenoeg dezelfde opgave waarbij het Borstwerk niet genoemd wordt:

HoofdmanuaalPositief
Prestant 8′
Bourdon 16′ D
Holpijp 8′
Viol di Gamba 8′
Prestant 4′
Roerfluit 4′
Quint 3′
Octaaf 2′
Flageolet 1′
Blokfluit 4′
Mixtuur 3 st.
Trompet 8′
Bazuin 16′
Prestant 4′
Holpijp 8′
Gamba D 8′
Holpijp 4′
Speelfluit 8′
Blokfluit 4′
Kromhoorn 8′
________________
Pedaal
Subbas 16′
Octaaf 8′
Violoncello 8′

Ook weet hij te melden dat het orgel binnen korte tijd vergroot en van nieuwe windladen voorzien zal worden. De kerk werd in dit jaar vergroot en het orgel verhuisde met een deel van het oksaal naar het ondiepe zuidertransept waar het vanuit het klooster direct bereikbaar was.
1896- Kennelijk beviel deze plaats niet en de Gebr. Franssen uit Roermond zouden het orgel terug naar de torenwand plaatsten. Het is niet duidelijk waarom dit plan niet is uitgevoerd.
1914- In de oude orgelkas bouwde de Boxmeerse orgelfirma J. Winkels & Zn., vermoedelijk met behoud van het Pedaal van Rütter een geheel nieuw reinpneumatisch orgel met als dispositie:

Hoofd-manuaal C-g3 Zwelwerk C-g3 (…g4)
Bourdon 8′
+ Principaal 8’*
* Dulciana 8′
Hohlflöte 8′
+ Octaaf 4′
Roerfluit 4′
Cornet 3 st 
Trompet 8′







Bourdon 8′
Viola di Gamba 8′
x Flute Traverse 8′
Voix Coeleste 8′
Æoline 8′
Fugara 4′
x Woudfluit 2′
Oboe 8′
_____________________
Pedaal C-d1 
Subbas 16′
Octaafbas 8′
* Violoncello 8′
Gedekt 8′
Bazuin 16′ 

Het is mogelijk dat de met +, * en x gemerkte stemmen gecombineerd waren. Zoals gebruikelijk had dit instrument een veelheid aan speelhulpen waarbij als bijzonderheid kan worden opgemerkt dat ter wille van de superoctaafkoppel alle stemmen van het Zwelwerk met 12 pijpen tot g4 waren uitgebouwd; behalve de genoemde superoctaafkoppel waren er de gewone manuaalkoppel en een suboctaafkoppel, zowel als 1 vrije en 5 vaste combinaties, een tongwerkafsteller en een tremolo. Naast een trede voor de zwelkast was er ook een generaalcrescendotrede.


Foto: Martien Coppens in “Verborgen Kunst”,
Den Bosch 1948 (het orgel in de kerk tot 1944)

1944– Onder oorlogsdreiging brak men oksaal en orgel af en de paters sloegen het orgel op in het klooster. Door de evacuatie zal een en ander zoekgeraakt en/of vernield zijn.
1952– Het orgel werd in de herstelde kerk opgebouwd door Bik en zijn knecht P.J. Bongaerts onder advies van Hüb. Houët en P.J. de Bruijn; Bik overleed voordat het werk was opgeleverd, en mede daardoor bleef de ontworpen elektrische speeltafel in het priesterkoor achterwege. De oorspronkelijke dispositie is inmiddels uitgebreid met een Mixtuur op het Hoofdwerk en een Prestant 4′, een Quint en een Terts (beide Prestantmensuur) op het Zwelwerk.
1953– De adviseurs zetten de Boxmeerse orgelmaker op een zijspoor en laten de eindaflevering over aan de firma L. Verschueren te Heythuysen.
1957– P.J.H. Hendriks te Heythuysen maakt een aanvang met de restauratie van het oksaal en de orgelkas.
1959– Met opnieuw Hüb. Houët als adviseur krijgt Verschueren opdracht een nieuw mechanisch orgel te bouwen in de oude orgelkas waarbij het tweede manuaal als Rugwerk uit de Hoofdkas gedacht was. De dispositie werd op het Pedaal na identiek aan die van het in 1955 door Verschueren gerestaureerde orgel in de Sint-Martinuskerk te Cuijk:

Dispositie 1959

Hoofdwerk C-g3 Rugwerk
Prestant 8′
Roerfluit 8′
Octaaf 4′
Speelfluit 4′
Kwint 2 2/3′
Openfluit 2′
Octaaf 2′
Larigot 1 1/3′
Flageolet 1′
Mixtuur III st
Cornet III st D
Sesquialter II st D
Trompet 8′
Klaroen 4′


Bourdon 8′
Gamba 8′
Prestant 4′
Blokfluit 4′
Nazard 2 2/3′
Doublette 2′
Cimbel II st
Kromhoorn 8′
______________
Pedaal C-f1 
Subbas 16′
Octaafbas 8′
Gedektbas 8′
Kwintbas 5 1/3′
Prestant 4′
Bazuin 16′

Koppelingen:
Hoofdwerk + Rugwerk
Pedaal + Hoofdwerk
Pedaal + Rugwerk  

Evenredig zwevende temperatuur a’ = 440 Hz
Winddruk HW en RW 68 mm Wk
Winddruk Pedaal 80 mm Wk

1986– Verschueren voerde een grondige schoonmaakbeurt uit waarbij:
viltringen werden aangebracht onder de pijpstokken;
de mechaniek opnieuw is afgeregeld;
stabilisatoren in de magazijnbalgen en
stootbalgen in hoofd- en rugwerk werden aangebracht;
de mensuur verwijd werd door de stemming van 435 op 440 Hz. te brengen;
de intonatie werd herzien.

Organisten

Organisten die A.F. van Beurden noemt in Boxmeer – Geschiedenis van de Parochie in Limburgs Jaarboek III (1897, 3de en 4de aflevering), p. 149-190, hier p. 155-157:

1604 schoolmr./organist Anselmus Huberts 
1613 kapelaan R.D. Johannes Sittardus
1614 koster/organist Anselmus Hubertus van Grave († 7-10-1635)
1616 schoolmr./organist Mr. Joachim Verheyden
1629 schoolmr./organist Jan Bysterveld
1635 Mr. Wynant (ofwel Simon Pors 30-6-1637)
1638 schoolmr./organist Simon Vaeght
1658 Wynand uit Gennep
1663 Michiel Cox
1712 pater Damasius à S. Simeon O.C.

Uit de plaatselijke pers:

BW 22-2-1896 en Echo 26-2-1896
BOXMEER, VERPLAATSING VAN HET ORGEL IN DE PAROCHIEKERK
In onze kerk zal binnenkort een verandering worden aangebracht die niet anders dan een verbetering en verfraaiïng tevens kan zijn. Het kunstig bewerkte orgel, dat bij de laatste restauratie [lees 1885] in het rechter zijkoor werd aangebracht, zal thans weer achter in de kerk worden geplaatst. Reeds werd door de heer Franssen uit Roermond een en ander aangenomen.

BW 4-4-1959 [uit brochure ingebruikname, Verschueren 1959]
In de jaren 1895-1898 is er sprake geweest van een nieuw orgel, omdat het oude versleten was. Eerst in 1914 kwam het nieuwe orgel volgens pneumatisch systeem. De frontpijpen werden niet meer sprekend gemaakt. Dit orgel is na de oorlog grotendeels hersteld toen de nieuwe kerk in 1952 gereed kwam onder leiding van architect H.W. Valk.

Echo 19-11-1913
Van welingelichte zijde vernemen wij dat onze parochiekerk binnenkort met een nieuw orgel verrijkt zal worden. De bestelling daarvan is reeds gedaan aan de firma J. Winkels & Zn. alhier. Het is te verwachten, dat deze firma, die met hare keurige leveranties, een welbekenden naam hebben verworven, hier een prachtstuk zal leveren, want de prijs van het orgel, zonder kast, zal de niet onaanzienlijke som van ? 6000,- tot ? 7000,- beloopen. Het ligt in de bedoeling het orgel nog voor de eerstvolgende “Vaart” in de kerk geplaatst te krijgen.

BW 10-10-1914
HET NIEUWE ORGEL.
Zondag 4 October werd het nieuwe orgel in de parochiekerk van de H. Petrus plechtig ingewijd, onder zeer veel belangstelling. Het zo prachtige front is natuurlijk gebleven, en voor onze parochiekerk, waar “nieuw” toch zo schoon aan “oud” paart, is het nieuwe orgel een grote aanwinst, want het is in alle delen een degelijk, schoon en practisch instrument. Het is gebouwd volgens rein pneumatisch systeem en bestaat uit 21 registers, verdeeld over 2 manualen en vrij Pedaal.

Het hoofd-manuaal, lopende van c tot g3, bestaat uit
Bourdon 16 voet Octaaf 4
Principaal 8 Roerfluit 4
Dulciana 8 Cornet III
Hohlflöte 8 Trompet 8

Het 2e manuaal, lopende van c tot 4g bestaat uit
Bourdon 8 voet Æoline 8
Viola di Gamba 8 Fugara 4
Flute traverse 4 Woudfluit 2
Voix Coeleste 8 Oboe 8

Het pedaal lopende van c tot 2d bestaat uit
Bazuin 16 voet Octaafbas 8
Violoncel 8 Gedekt 8
Subbas 16

Behalve deze registers zijn er 6 koppelingen (Koppel II – I V.C. pp – p – mf – f – tutti, sub II – I Tongwerkafsteller, super II – I Tremolo, alsmede een Zwelkasttrede en Generaalcrescendotrede) aangebracht die heel nieuwe effecten teweeg brengen, en de registers als het ware verzesvoudigen. Zo kan men door één dezer koppelingen al de registers van het 2de manuaal, elk voor zich of gezamenlijk op het 1ste manuaal overbrengen, zonder dat de bovenste toetsen meegaan en ook zonder dat het spelen er zwaarder door wordt. Op dezelfde manier kan men ook de registers van het 1ste en 2de manuaal op het pedaal overbrengen en dus het volle werk alleen met de voet spelen. Een tiental drukknoppen vergemakkelijken de organist het overigens toch reeds zo gemakkelijke registerdrukken zodat men door b.v. een drukknop het “plein jeu” te genieten kan geven.
Een verrassend uitwerksel merken we op in de verschillende crescendo’s, die door de registerzweller voor het hele werk en door de crescendozweller nog afzonderlijk voor de registers van het 2e manuaal is aangebracht. Deze laatste zijn n.l. in een hermetisch gesloten jalouziekast geplaatst, welke met de voet gesloten en geopend kan worden. Het aanspreken en eindigen der tonen is onberispelijk. Alles verklaren gaat en behoeft ook niet. Zoveel is echter zeker, dat de alom gunstig bekende firma J. Winkels & Zn. alhier een modelorgel heeft geleverd dat aan de strengste eisen der moderne techniek voldoet.
Weet de critiek dan geen enkel foutje te ontdekken in zulk een omvangrijk kunstwerk? Iemand, die het weten kan, fluisterde mij dezer dagen in het oor:
“Zeg de volle waarheid. Roem het orgel in alle opzichten, maar wijs toch vooral ook hierop: Bourdon 16v en Subbas 16v zijn in de onderste octaaf beslist te zwak. Daar kan en moet uit zulke zestienvoeters een veel vollere, rondere toon opgaan dan nu het geval is. Dit is een euvel dat gemakkelijk verholpen kan worden, door wat sterkere intonatie en de heer Winkels is er de man niet naar om een goed gemeende wenk in de wind te slaan”. Als we de recensie van de heringebruikname in het BW van 21-2-1953 mogen geloven, is dit Winkels kennelijk niet gelukt [W.v.K.].

Winkels bouwde een pneumatische kegellade voor dit instrument waarin hoogstwaarschijnlijk diverse transmissies ‘verstopt’ waren. Aldus kan men concluderen uit hetgeen Pater Paulus Schmit in 1945 inventariseerde uit de restanten van het orgel. Afgaand op de het aangetroffen pijpwerk veronderstelt Schmit de volgende combinaties:
1. 63 pijpen voor Dulciana (24), Viola di Gamba (12) en Violoncel (27);
2. 68 pijpen voor Principaal (24) en Octaaf (44);
3. 68 pijpen voor Flute traverse (24) en Woudfluit (44).

Direct na herbouw van het huidige kerkgebouw werd het Winkels-orgel door Bik weer teruggeplaatst. Nu niet weer aan de kant van het klooster, waar het tot 1944 gestaan had, maar op een noodoksaal tegen de torenmuur. Het antieke oksaal, waarvan een tweetal pilasters ontbraken, zou eerst in 1957 hersteld worden.

Het plan was ontwikkeld om het orgel via een elektrische speeltafel voorin bij het priesterkoor bespeelbaar te maken.

BW 17-11-1951
G.P. Bik ontvangt van de paters [per 16-11] opdracht om het orgel in de nieuwe kerk te herbouwen en te moderniseren.

BW 24-12-1952
G.P. Bik overleden (72 jaar oud). Hij was met de opbouw in Boxmeer bezig, maar heeft die niet kunnen voltooien.
Vanwege de toegepaste transmissies meenden zich als deskundigen voordoende raadslieden dat Bik een aantal pijpen zou hebben verduisterd. Natuurlijk zal er tijdens de afbraak van het orgel en de daarna volgende evacuatie van Boxmeer wel wat zijn zoekgeraakt. Bik verdedigde zich door te zeggen dat de Duitsers veel uit de werkplaats meegenomen hadden, maar hieraan hechtte men weinig geloof.

Correspondentie tussen de adviseurs van 1953 en de firma Verschueren wekt de indruk als dat er op dit orgel andere registers voorkwamen dan in 1914 het geval was; men oordele zelf:

Eerste keuringsrapport van H. Houët en P.J. de Bruijn per 2 februari 1953.

De volgende klachten werden genoteerd:
een hanger in de Mixtuur;
de repetitie van het groot octaaf van de Prestant 8 en Prestant 4 Manuaal I is te lui en bij elke toon verschillend;
de gehandhaafde Gamba is werkelijk opvallend slecht;
de Hobo moet over de gehele linie geëgaliseerd worden;
in de Bazuin spreekt de dis niet en hij repeteert slecht;
idem met de Trompet; deze spreekt hier en daar weifelend aan;
de Prestant 4′ II is zeer slap en zacht van toon;
Terts en Quint hebben prestantmensuur; moet fluitmensuur zijn;
de Flûte Harmonique en de tweevoet zijn slap en week en weinig zelfstandig.

Zij stellen het volgende voor:
1. Prestant 4 luider maken of vervangen;
2. Fluitquint van I ruilen met Quint II;
3. Terts van II in de bas vooral zachter of desnoods laten repeteren;
4. de tweevoet II kan wat opgevoerd worden;
5. Gamba blijft onbruikbaar; waarom geen Prestant 8 of Tolkaan?

Dan is er de volgende brief van Verschueren aan De Bruijn:

13 April 1953
“Zew. Zeergel. Heer,
Vrijdag j.l. was ik, op verzoek van Pater Prior in Boxmeer, Dhr. Bik wilde het orgel afleveren.
Wij hebben een grondig onderzoek ingesteld en konden gelukkig constateren, dat het werk behoorlijk afgeleverd is. In aanmerking genomen de gebruikte windladen en pijpwerk is het een behoorlijk geheel geworden.
Uw bemerkingen in het rapport vermeld, zijn grotendeels in orde gemaakt.
De omwisseling der beide kwinten heeft niet plaats gehad, daar beide plaatsingen zowel voordeel als nadeel hebben.
Dat de Gamba niet goed is, is waar. Het is echter de oude Gamba met enge mensuren.
De accoustiek der kerk is niet te best, daarbij de plaatsing van het orgel iets te ver naar achter. Ondanks dit is het geluid in de kerk behoorlijk.
Ik meen dan ook dat indien met deze factoren rekening gehouden wordt, U het werk toch wel kunt goedkeuren.
Hopende, dat U van dezelfde mening is, verblijft,

Hoogachtend,
fa. L. Verschueren”

BW: 14-2-1953
INZEGENING ORGEL [nog vóór de eindkeuring dus]
Toen de parochiekerk werd geconsacreerd kon het orgel nog niet in gebruik worden genomen. Thans is het echter zover dat de inzegening hiervan kan plaats hebben. Dit zal geschieden a.s. Zondag om 5 uur door de ZeerEerw. Pater Mattheus Chappin, Prior van ’t Carmelitenklooster. Direct daarna zal een orgelbespeling plaats hebben door de heer P. Schambergen, organist van de Kerk. Dan wordt een plechtig Lof opgedragen, waaronder een korte toespraak door de ZeerEerw. Pater Prior. De kerkelijke gezangen zullen worden uitgevoerd door het Parochiëel Zangkoor onder leiding van de heer Th. Lamée.
Na de plechtigheden zal de orgelinspeling plaats hebben door de heer Hub. Houët, de bekende organist aan de St. Catharinakerk te Eindhoven. Deze brengt een programma van acht nummers ten gehore. Een gelegenheid die de kenners vooral zich niet zullen laten ontglippen.
Programma’s zijn verkrijgbaar bij de ingang van de kerk.
Het orgel is omgebouwd en gerestaureerd door de firma G.P. Bik en de heer J. Bongaerts alhier. De heer Bik heeft het werk, waarvoor hij bijzondere interesse had, niet meer kunnen voltooien. Bij zijn uitvaart werd het voor het eerst weer in gebruik genomen. Na zijn dood heeft de heer J. Bongaerts de van ouds bekende orgelfabriek over genomen.

BW 21-2-1953
INZEGENING ORGEL
De plechtige inzegening en inspeling van het pas gereed gekomen orgel is wederom een gedenkwaardige gebeurtenis in de herbouw van onze in 1944 verwoeste parochiekerk.
Het was een goed idée, deze feestelijkheid te doen geschieden op Vastenavond-Zondag, de eerste dag van het 40-uren gebed.
Vóór het Lof werd door de ZeerEerw. Pater Mattheus Chappin, Prior van het Carmelitenklooster, de inzegening verricht en in een toespraak wees Z.Eerw. op het aandeel dat het kerkorgel heeft in de opluistering van de plechtigheden en godsdienstoefeningen. Spr. herdacht de overleden bouwer van het orgel, de heer G. Bik, die na een kortstondige ongesteldheid overleed, vóór hij zijn opdracht ten einde toe had kunnen vervullen. Hij heeft althans de voldoening gesmaakt, zijn vakmanschap in dienst van zijn parochie te mogen stellen.
Het parochieel koor zong onder leiding van de heer Th. Lamée een viertal Lofgezangen, en de organist, de heer P. Schambergen, gaf een “Toccata” ten beste; daarna volgde de inspeling door de heer Hub. Houët, organist van de St.Catharinakerk (de dekenale kerk) te Eindhoven. Bij de vele muzikale toehoorders heeft de heer Houët bewondering gewekt voor de wedergave van de met zorg en deskundigheid gekozen werken van de beste orgelcomponisten, als Joh. Seb. Bach, Sweelinck, Purcell, César Franck, Widor en anderen. Een rijk en afwisselend programma, waarin Houët zich als een meester op het “koninklijk instrument” deed kennen, en met het aanwenden van de vele prachtige registers een klankenweelde wist te toveren, die de aandachtige luisteraars een uur van het zuiverste kunstgenieten deed beleven.
Als we een vergelijking maken met de klank van het vroegere orgel, nu omgebouwd en gerestaureerd, dan dient al dadelijk vermeld het ronder en edeler geluid van de diepe bastonen, het onmiddellijk aanspreken, en het benutten van de nieuwste technische vindingen.
Het spreekt vanzelf, dat de plaatsing achter in de kerk, zoals het vóór 1885 ook was, vooral ook ten goede zal komen aan de zang van het kerkkoor, die in de oude kerk nimmer tot zijn recht kwam.
Wanneer straks het oude monumentale orgelfront, dat in 1637 op ontwerp van de grote Boxmerenaar Pastoor Dr. Ant. Peelen, door Jan Werkens te Venraij vervaardigd en de kale orgelkast een ander aanzien zal hebben geschonken, is het voor de gelovigen, die zo lang zich met de noodkerk moesten behelpen, een verheugenis te meer, te mogen gaan naar het huis des Heren.
Aan de heren J. Bongaerts te Boxmeer als opvolger van de heer G. Bik en de firma P. Bik & Zn. te Leiden een compliment voor de wijze, waarop zij na het overlijden van de heer G. Bik, het orgel hebben opgebouwd.

Bronnen:
Artikelen in ‘de Echo’ en het ‘Boxmeers Weekblad’ vanaf 1896.
Boxmeer, Bibliotheek Carmelitaans Instituut.
Jespers, F.P.M., Repertorium van orgels en orgelmakers in Noord-Brabant tot omstreeks 1900, Den Bosch 1983, 33.
Kruijs, M.H. van ‘t, Verzameling van disposities der verschillende Orgels in Nederland, Rotterdam 1885 / Amsterdam 1972, 75.
Vente, M.A., Bouwstoffen tot de Geschiedenis van het Nederlandse Orgel, proefschrift anno 1942, 45, 90/1.
Verschueren, Fa. L., Orgel Boxmeer – Enige historische gegevens over oksaal en orgel in de Kerk van Boxmeer, brochure 1959.

Info: Wout van Kuilenburg, Boxmeer.

Concerten 

Er worden hier doorgaans geen orgelconcerten georganiseerd.
Deze kerk was onderdeel van de najaarsexcursie van de Brabantse Orgelfederatie op zaterdag 13 oktober 2018.
Klik hier voor meer informatie.

Orgelkring Land van Cuijk en Noord Limburg ‘Gregorius van Dijk’

Concerten op dit orgel worden o.a. worden verzorgd door deze orgelkring. 
Klik hier voor meer informatie.

Deze organisatie is vertegenwoordigd bij of lid van de Brabantse Orgelfederatie.

De basiliekgeschiedenis

Op de plaats van de Sint-Petrusbasiliek stond al voor 1000 een kerk. Dit was een eenbeukig romaans zaalkerkje met toren en recht gesloten koor. Later werd deze vervangen door een gotische kerk in baksteen met fraaie netgewelven. Omstreeks 1870 werd deze kerk in neogotische stijl uitgebreid. De kerk werd in 1944 verwoest en in 1946 werden de restanten van deze kerk gesloopt. Daarna werd de huidige kerk gebouwd door de Vughtse architect Hendrik Willem Valk. In 1952 werd de kerk plechtig ingewijd door de bisschop van ‘s-Hertogenbosch. In de crypte zijn resten van de voormalige romaanse en laatgotische kerken aanwezig. 
Verder vindt u er de marmeren graftombe voor graaf Oswald II van den Bergh en zijn gemalin uit 1741, vervaardigd door Jan-Baptist Xavery en het eikenhouten in Renaissancestijl uitgevoerde oksaal van Jan Werkens uit 1634 dat de oorlogsverwoestingen overleefd heeft. Op de balustrade zijn de wapens aangebracht van graaf Albert van den Bergh en zijn echtgenote. Ook zijn op het oksaal beelden geplaatst van heiligen: Agnes, Catharina, Lucia, Barbara, een vrouwelijke heilige met Quirinusschild en Maria Magdalena. Op de balustrade zijn laatgotische beelden te vinden, namelijk die van Sebastiaan, Jacobus de Meerdere, Jacobus de Mindere en Antonius Abt. De beide Jacobsbeelden zijn van de hand van Heinrich Douvermann en stammen uit het begin van de 16e eeuw. Boven het oksaal bevindt zich het orgel.
Dan zijn er nog meer beelden, zoals een piëta uit de 16e eeuw, een Heilige Maria met Heilige Anna uit de 16e eeuw, een beeld van de Heilige Cornelius uit de 15e eeuw en een Mariabeeldje (Onze Lieve Vrouwe ter Peer) uit de 15 eeuw.
De moderne gebrandschilderde ramen zijn vervaardigd door Eugène Laudy en in de Bloedkapel zijn de ramen van Luc van Hoek.

Laatste actualisatie 9 maart 2018

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Orgellocaties