Overzicht van orgelbouwers, klik hier.

De oost-Brabantse orgelbouwcultuur

Door Wout van Kuilenburg.

Nederland heeft een rijke orgelcultuur, waar we ook internationaal trots op mogen zijn. De oorsprong daarvan ligt al kort na 1500 in Brabant. Nederlandse orgelbouwers als Jan van Covelen, Hendrik Niehoff en de familie Lampeler van Mill vernieuwden de toenmalige orgelbouw revolutionair, waardoor de Nederlandse orgelbouw rond 1530 een toonaangevende plek in Europa kreeg.
De 16e-eeuwse vernieuwingen betroffen vooral uitbreiding van de klankkleur met geheel nieuwe soorten orgelpijpen, zoals de fluit (pijpen met een grote diameter), de tertscymbel (pijpen met een heldere, zilverachtige klank), de quintadena (een nauwe, gedekte fluit) en tongwerken zoals de trompet en de schalmei.

Het Nederlandse orgel werd in de 16e eeuw een echt exportartikel: vooral in Frankrijk, Duitsland en Spanje vond de Nederlandse orgelbouw navolging, als de Nederlandse orgelbouwers daar al niet zelf aan de slag gingen. Dat laatste gebeurde vooral in het Duitstalige gebied. Helaas zijn intussen veel van die 16e-eeuwse Nederlandse Renaissance-orgels uit de 'Brabantse School' verdwenen.

Een belangrijke leerling van de eerste generatie vernieuwers was Arendt van Lampeler uit Mill. Hij was in de leer bij de (van oorsprong Friese, maar in 's-Hertogenbosch werkzame) orgelbouwer Hendrik Niehoff. In 1560 wordt hij medevennoot van Hendriks zoon Nicolaas Niehoff. Er is in deze roerige periode volop werk. Zo moeten Arendt en Nicolaas na de Beeldenstorm van 1566 het door Hendrik rond 1524 gebouwde orgel in de Bossche Sint Jan herstellen.
Hoewel de verhalen willen doen geloven dat met de Niehoffs, Lampelers van Mill en vader en zoon Hocque uit Grave de kern van de Brabantse orgelmakerij na het uitbreken van de Tachtigjarige oorlog uit onze streken verdween, kwam die op het einde van de 17e eeuw schoorvoetend weer terug. Dit ontdekte ik toen ik op zoek ging naar de oorspronkelijke maker van het orgel in de parochiekerk van mijn woonplaats Boxmeer. [1]

De Lampelers van Mill zochten hun heil rond Münster in Westfalen, en vertrokken naar Keulen en Luik. Alles wijst erop dat het in de zuidelijke Nederlanden rond de Peel, meer precies het Maas- en Niersland destijds wemelde van activiteiten van orgelmakers. De landstreek rond de Peel omvatte een gebied dat nu voor een deel in Nederland, in België en in Duitsland ligt. Men beleed er dezelfde (katholieke) godsdienst en sprak er het Nederdiets als gezamenlijke taal.

Na de Franse tijd werden betrekkelijk vaak orgels vanuit de zuidelijke kloosters verkocht aan Brabantse parochiekerken (zoals in Cuijk en Helmond). Daardoor hebben we soms een vertekend beeld gekregen van hoe de ontwikkelingen in de orgelbouwwereld daadwerkelijk geweest zijn. Zo noemt men momenteel Brammertz als maker van het orgel in Escharen, maar misschien was de school Kornelimünster geïnspireerd door volgelingen van Hocque, en hebben we hier te maken met een onmiskenbare exponent van de oorspronkelijke Brabantse orgelfactuur. Behalve Brammertz komen dan nog wel meer orgelmakers in aanmerking.

Onder invloed van de Boxmeerse Karmeliet Benedictus Buns (1642-1716) en met hulp van de vermogende paters van de Duitse Orde in Gemert hadden de parochiekerken in deze enclaves of vrijheerlijkheden vaak juweeltjes van orgels gekregen. De instrumenten in Ravenstein, Macharen, Teeffelen en Schaijk zijn daar klinkende bewijzen van. Maar wie zal beweren dat dat vakmanschap ooit uit Brabant verdwenen is? Er zijn aanwijzingen dat leerlingen van Hocque hun werkgebied vanuit Keulen via 's-Hertogenbosch en Vlaanderen naar de zuidelijke Nederlanden verplaatsten, en die streken aldus van orgels voorzagen, waarvan naar van de herkomst momenteel slechts gegist wordt. Zo kwam voor het werk aan de Sint Jan in 's-Hertogenbosch Hocque vanuit Keulen naar Brabant terug, en met hem Hans en Peter Goltfuss en Jan Bremser (†1669). Goltfuss vestigde zich in Haacht en Bremser in Mechelen. Bremsers opvolger Jan van Dijck werkte vanuit Gemert en had daar vermoedelijk Matthijs Verhofstadt (1677-1731) als meesterknecht. Verhofstadts werk vertoont treffende overeenkomsten met de orgels die Bremser gemaakt heeft.

Decennia lang is gesteld dat het orgel in de toenmalige Sint-Petruskerk van Boxmeer in 1677 gebouwd zou zijn door Conrad
Ruprecht. De feitelijke maker was evenwel Blasius Bremser. In 1688 werd het voltooid door Jan van Dijck uit Gemert, en na diens plotseling overlijden in 1695 trok Buns via de Heer van Boxmeer (huis Bergh) Conrad (II) Ruprecht (1672-1721) aan. Ruprecht was na de dood van Van Dijck verantwoordelijk voor het onderhoud van het Boxmeerse orgel en maakte zo intensief kennis met de Brabantse wijze van orgelmaken, die Bremser uiteindelijk naar Mechelen had teruggebracht.
Organist Buns had van Jan van Dijck veel over het orgelmaken geleerd en hij bracht Verhofstadt (denkelijk een knecht van Jan van Dijck, beiden kwamen van Gemert) met Ruprecht in contact. Een echte orgelschool heeft Verhofstadt weliswaar niet in het leven geroepen, maar via Matthijs van Deventer (*1687), Matthias de Crane en de zeer behoudende vader en zoon Van Nistelrooy (1788-1880) uit Oss waait hier nog authentieke Brabantse orgelwind. Klinkende voorbeelden zijn de orgels van de kerk in Handel en de protestantse kerk van Grave waar L.A. van Nistelrooy in 1868 zijn stempel gedrukt heeft.
Kortom, behalve van de algemeen geldende opvatting dat grootvader Conrad I Ruprecht het vak geleerd heeft bij Bader, kunnen we stellen dat Conrad II die kennis verrijkte bij de Brabantse school via het Bremser-orgel in Boxmeer.


Wout van Kuilenburg 2018


[1]
Mijn studie werd onder de titel 'De grenzen te buiten' -Orgels, hun makers en behuizingen bezien vanuit Boxmeers perspectief- gepubliceerd in het Orgel, jaargang 102 (2006) nummer 4 (een uitgave van de Koninklijke vereniging van Organisten en Kerkmusici).





Orgelbouwers die vroeger actief waren in Noord-Brabant
- Jacobus Zeemans (1665-1744)

- Conrad (II) Ruprecht (1672-1721)

- Matthijs Verhofstadt (1677-1731)

- Van Eijsdonck - VanNistelrooy(-ij) - Kuijte

- Bernardus Petrus van Hirtum

- François-Bernard Loret

- Franciscus Cornelis Smits

- Johannes en Jacobus Vollebregt

Orgelbouwers, tegenwoordig actief in Noord-Brabant

- Nico van Duren

- Pels & Van Leeuwen (1903)

- J.C. van Rossum Orgelbouw

- Verschueren Orgelbouw bv