Orgelbouwers in Noord-Brabant

- Hedendaagse orgelbouwers (klik hier)

- Orgelbouwers van vroeger

Bernardus Petrus van Hirtum

Bernardus Petrus van Hirtum (1792-1875) was het derde kind van Nicolaas van Hirtum, die het orgelmakersvak waarschijnlijk in Duitsland geleerd had. Aanvankelijk bouwt Bernard samen met zijn oudere broer Anthomius Caspar o.a. orgels in Chaam en Vught, maar zet daarna zijn orgelmakerij onder eigen naam voort.
Van de door de Van Hirtums gebouwde orgels is nog slechts een zestal (goed)deels bewaard gebleven. Het betreft alle instrumenten van Bernard van Hirtum:

Sprang-Capelle ('s-Grevelduin-Capelle) (1820/1823)

Cuijk, Herv. Kerk (1829)

Eersel, Sint-Willibrorduskerk (1838)

Hilvarenbeek, Sint-Petruskerk (1840)

Lierop (1856)

Diessen, Sint-Willibrorduskerk (1859/60)

 

Van Hirtum wordt altijd vermeld bij de grote Brabantse orgelmakers van de negentiende eeuw.
Maar lange tijd was de stijl van hun eigenaardige instrumenten onduidelijk. Totdat in 1977 hun familiekroniek werd ontdekt. Hierin blijkt dat hun orgels het Rijnlandse rococo vertegenwoordigen.

Wie de orgels in de kerken van Hilvarenbeek (1840), Diessen (1859) en Eersel (1838) bekijkt, zal ongetwijfeld onder de indruk komen van de voorname proporties en het rijke snijwerk, vol slingers en krullen. Orgelmaker Bernard van Hirtum (1792-1875) moet een vaardig schrijnwerker en beeldhouwer zijn geweest. Dit is voor orgelmakers uitzonderlijk, want de meesten laten het snijwerk voor hun orgels door specialisten vervaardigen. De gewone orgelmaker zorgt in de eerste plaats voor het muziekinstrument, met alle technische onderdelen.
De orgels van Van Hirtum hebben nog iets aparts. De fronten hebben een breedtewerking die in Brabant ongebruikelijk is. Het bescheiden orgel van Eersel heeft al zeven geledingen, Hilvarenbeek zelfs elf. Zo’n breedtewerking kwam in Frankrijk en het gebied rond Luik wel voor. Ook de klank van de orgels heeft iets zuidelijks, evenals de toepassing van het kistpedaal. Zodoende ontstond in het midden van de twintigste eeuw het idee dat Van Hirtum het vak ergens in het zuiden geleerd zou hebben.
Ik wijs op nog een paar kenmerken van de orgelfronten. Typerend voor Van Hirtum zijn de palmtakken en horens als versieringen, en grote krullen ter ondersteuning. Bijzonder mooi zijn de gesneden muziekinstrumenten aan de zijkanten van het front, en in Eersel in de potten bovenop het orgel. We zien violen, klarinetten, dwarsfluiten, hoorns, trombones, de ophicleïde (een soort gekrulde fagot) en zelfs de schellenboom. Een aantal van deze instrumenten was in de katholieke dorpskerkjes in gebruik tussen 1770 en 1850, toen men nog geen orgel kon betalen. Overigens komen de grote beelden in Hilvarenbeek uit een Antwerps atelier, ze zijn pas na de dood van Van Hirtum aangeschaft.

Brabanders of niet?
Toen in 1968 het orgel van Hilvarenbeek werd gerestaureerd, ging men nazoeken wie Bernard van Hirtum eigenlijk was. Hij is geboren in Hilvarenbeek en heeft er zijn hele leven gewoond. Hoe kwam hij dan aan die vaardigheden? Zijn vader Nicolaas (1752-1810) bleek ook orgelmaker te zijn geweest. Die was geboren in Sint-Oedenrode. De familie was katholiek. In de achttiende eeuw hadden de katholieken in Oost-Brabant bijna nergens een orgel in hun dorpskerk, want dat was de generaliteitsperiode en katholieken mochten hun eredienst alleen in schuurkerkjes verrichten. Wat kon Nicolaas van Hirtum aanvangen als orgelmaker?
In 1977 ontdekte Ad van Sleuwen dat een achterkleinzoon van deze orgelmakers nog een familiekroniek bezat. Het bleek dat Nicolaas van Hirtum bij zijn huwelijk in 1791 – met een Hilvarenbeekse – vol grote plannen aan deze Kronyk was begonnen. Daar kwam niet zoveel van terecht. Toch beschreef hij al zijn werkzaamheden tussen de jaren 1781 en 1797, aanvankelijk in protestantse kerken, later ook in katholieke. Ook zoon Bernard voegde een beschrijving toe van de twaalf orgels die hij bouwde tussen 1815 en 1859. Verder staan in de Kronyk nog gedichten, financiële aantekeningen en recepten. Vooral de eerste (enigszins kromme) zin van de beschrijvingen van Nicolaas van Hirtum verraadt veel:

“In het jaar 1781 den 21 maay zoo ik tuys gekoomen zijnde van de stat Ceulen, alwaar ik t orgelmaaken grondig geleert had, noom ik mijn eerste woonplaats tot Waalwijk in de Langstraat”. Hoe Nicolaas in Keulen verzeild is geraakt, weten we niet, maar hij suggereert dat hij er een flinke tijd in de leer is geweest. Daar woonden toen beroemde orgelmakers zoals Ludwig König, die ook in Nederland enige orgels bouwde. Zijn grootste instrument staat in de Stefanuskerk in Nijmegen, voltooid in 1776. In die orgels zie je een zelfde breedtewerking als in Hilvarenbeek en Diessen.

Rijnlands en Weens rococo
Zo kunnen we de bouwstijl van vader en zoon Van Hirtum begrijpen: het Rijnlandse rococo. Het is een klankwereld met boventoonrijke prestanten, allerlei fluiten, frisse tertsregisters en zangerige tongwerken. De orgels zijn gedacht voor heldere stukken met galante melodieën, in de stijl van de Weense Klassieken, dus Haydn, Mozart en hun navolgers. Bernard van Hirtum was zelf ruim vijftig jaar organist in Hilvarenbeek, en heeft vermoedelijk dit soort muziek gespeeld. Dat gebeurde in het midden van de negentiende eeuw nog veel in Noord-Brabant (en heel West-Europa), terwijl het al een beetje een ouderwetse stijl was geworden. Maar bij het grote publiek bleef die muziek populair, tot op de dag van vandaag. Ook orgelmaker Frans Smits hield ervan, hij componeerde zelfs kerkmuziek in de Weense stijl. Ook al verschilde zijn bouwtechniek van die van Van Hirtum, hun muziekideaal lag dicht bij elkaar. Dat is een belangrijke reden waarom in Eersel de combinatie van de kas van Van Hirtum en een binnenwerk van Smits (uit Groot-Linden, 1850) best geslaagd is. Anders gezegd: ook dit orgel klinkt zoals het eruit ziet: feestelijk.

Bron: Frans Jespers, uit 'Brabants Orgelrijkdom 2010'

 

Franciscus Cornelis Smits

De meeste in Noord-Brabant voorkomende kerkorgels in katholieke kerken zijn in de periode 1818 tot 1925 vervaardigd, in onderhoud geweest of verbouwd door de drie generaties orgelbouwers van de familie Smits uit Reek.

Franciscus Cornelis (Frans) Smits I (1800 -1876) startte het bedrijf in het Brabantse Reek als autodidactisch orgelbouwer als vervolg op de eerste amateuristische orgelbouwactiviteiten van zijn vader Antonius en zijn broer Nicolaas. Karakteristiek voor de oudere Smits-orgels is de ongebruikelijke constructie, de opvallend afwisselende orgelkastarchitektuur en de eigenwijze dispositie die de orgels vaak hebben. Fantasierijke registers komen er op voor, zoals de 'Serpent' en 'Ophikleïd' op het orgel van Oirschot. Een ander voorbeeld daarvan is het tongwerk 'Harmonica' dat bijv. nog op het orgel in Rosmalen te vinden is. De klankkleur van de F.C.Smits-orgels is meestal donker van aard. Bij de samenstelling van de disposities (registeropbouw van het orgel) is bij de eerste generatie Smits vooral afgeleid van de oudere 18e eeuwse orgels uit Brabant, weliswaar met eigenzinnige toevoegingen. De twee latere generaties van de familie Smits lieten zich meer beïnvloeden door de tijdgeest, zoals de Frans-romantische orgelbouw aan het eind van de 19e eeuw en de Duits-romantische na 1900.

------
Links: Frans Smits II Orgelbouwer 1834-1918 (zoon van Frans Smits I). Onder zijn leiding werden 17 nieuwe orgels gebouwd.
Midden: Willem Smits (1844-1929), jongere broer van Frans II, de monteur van het bedrijf.
Rechts: Frans Smits III (1878-1928). Volgens getuigen in Reek hielden hij en zijn broer Henri zich na 1920 slechts bezig met stemwerk.
Van F.C. Smits I (1800 -1876) zijn geen afbeeldingen bekend.

Voor de geschiedenis van het eerste grote Smits-orgel in hun woonplaats Reek, klik hier.

Reek, Sint-Anthoniuskerk (1829)

Deurne, Sint-Willibrorduskerk (1838)

Sint-Oedenrode, Sint-Martinuskerk (1839)

 

J.J.Vollebregt & Zoon

Johannes Vollebregt, geboren in 1793 in Maassluis, is vanaf zijn 20e levensjaar actief geweest als schrijnwerker en orgelmaker. In de periode 1839 tot 1845 zou hij o.a. gewerkt hebben bij Bätz in Utrecht, bij Lohman in Leiden en bij Naber in Deventer, terwijl hij ook in het buitenland zijn leerschool zou hebben gehad. Toen Vollebregt zich in 1845 als orgelmaker in het Brabantse Heusden vestigde was hij in feite gevormd tot een Hollandse orgelmaker. Opvallend is het dat hij snel Brabantse tradities adopteerde en ze versmolt met zijn eigen achtergrond. Zo ontstond een synthese tussen Hollandse en Brabantse elementen en van eigentijdse tendensen en klassieke voorbeelden. Zijn zoon Jacobus werkte bij Johannes in de orgel-makerij, zodat zij zich altijd presenteerden als J.J. Vollebregt & Zoon. De familie Vollebregt woonde en werkte vanuit Waalwijk, ’s-Hertogenbosch en Vught.
In 1872 overleed Johannes Vollebregt. Vanaf 1846 bouwde Vollebregt een groot aantal nieuwe orgels, waarvan het merendeel in Brabant geplaatst werd.

Erp, Sint-Servatiuskerk (1848)

Geldrop, Sint-Brigidakerk (1849) (1894 aanpassing Smits)

's-Hertogenbosch, Sint-Catharinakerk (1851)

Breugel, Sint-Genovevakerk (1854)

Geertruidenberg, Sint-Geertruidskerk (1861)

 

François-Bernard Loret
François-Bernard Loret (1808-1877) was de bekendste zoon van Jan-Jozef-Antoon Loret (1757-1847), organist van de Sint-Gilliskerk en stadsbeiaardier van Dendermonde, die ook als componist en orgelmaker van zich liet horen. Hij was niet de enige zoon die het orgelmakersambacht beoefende. Ook zijn oudere broer Emmanuel-Frans zou zich op 35-jarige leeftijd in De Klinge als orgelmaker hebben gevestigd. Zijn jongere broer Hippolyte, bekend van het imposante orgel van de abdij van Averbode, werkte als orgelmaker in Dendermonde en later in Brussel, maar verhuisde in 1876 naar Parijs, waar hij een geducht concurrent van Cavaillé-Coll was.
François-Bernard, bij wie Henri Vermeersch in 1834 kwam werken, ontwikkelde zich in Mechelen niet in de symfonische richting, maar voornamelijk in de classicistisch romantische stijl. Daarin zocht hij naar vernieuwingen, verbeteringen of vereenvoudigingen in de orgelbouw. Bekend is de toepassing van een magazijnbalg, welke gevoed wordt met schepbalgen welke door middel van een krukas met zwengel bediend worden. Dat zien wij terug bij o.a. de orgels in Reusel (destijds gebouwd voor Dordrecht), Berkel en Lith. Bij het orgel in de Kathedraal in Breda paste hij een groot horizontaal vliegwiel toe. Hij trachtte door een zekere vorm van seriebouw en standaardisering de prijs laag te houden. Herkenbaar voor zijn instrumenten zijn de toepassing van balansklavieren, het roldeksel over de klavieren en veelal de toepassing van porseleinen registerknoppen. Hierop werden de registers van het manuaal veelal in zwart beschreven, die van het positief in blauw. Het pijpwerk is soms nogal dunwandig met een enge mensuur, waarbij hij nauwe voetopeningen toepaste. Het groot octaaf van de Bourdon 16 vt en Prestant 8 vt hebben een stevige grondtoon, maar in hogere ligging worden deze registers minder krachtig. Ondanks het aangehangen pedaal ervaart men een stevige bas. Fluiten en strijkers kleuren de klank, tongwerken en cornetten voegen een zekere felheid toe. In de kleinere instrumenten ontbreekt veelal een consequente opbouw van het prestantenplenum; de octaaf 2 voet en de mixtuur ontbreken steeds vaker, terwijl kleurstemmen als strijkende registers in diverse voethoogten en fluiten hun intrede doen. De vormgeving van de instrumenten is doorgaans klassiek.
Dankzij de goede connecties met o.a. bisschop J. Zwijsen, wist Loret zich een goede plaats te verwerven op de Brabantse orgelkaart. Aan bisschop Zwijssen schonk Loret ooit het orgel voor de Fraters in Tilburg (nu geplaatst in de Heuvelskerk te Tilburg).

Het boek 'De Orgelmakers Loret en hun orgels in Nederland'

Ter gelegenheid van de voorjaarsexcursie van 2011 is dit boek door de Brabantse Orgelfederatie uitgegeven. Er zijn twee cd’s in opgenomen, waarop acht Loret-orgels bespeeld worden door vijf Brabantse organisten.

----

Het boek is met een zetspiegel van 212 x 148 mm (A5) verschenen in full color met 224 pagina’s binnenwerk.
Aan de binnenzijde van zowel de voor- als achteromslag bevindt zich een cd. ISBN 9789081735902
Het boek zal op grotere orgelevenementen in Noord-Brabant te koop zijn of kan besteld worden via deze website, klik hier.

Tilburg, Heuvelskerk of Sint-Jozefkerk (1859)

Vessem, Sint-Lambertuskerk (1868)

 

Hedendaagse orgelbouwers

Pels en Van Leeuwen
Orgelbouwers sinds 1903.

Orgelbouw is een ambacht. Orgels maken leer je, zoals bij alle ambachten, “van meester op gezel”. Zo gebeurt het nog steeds. Bernard Pels kon dan ook in 1903 melden dat hij in Alkmaar zijn eigen bedrijf startte: “Ondergeteekende, gedurende 19 jaar als Orgelmaker, waaronder 3 jaar als chef, bij de firma Wed. L.IJpma werkzaam geweest zijnde, neemt de vrijheid, ter Uwer kennisse te brengen, dat hij zich sedert Februari 1903 voor eigen rekening heeft gevestigd als Orgelbouwer, Reparateur, Stemmer enz. ….”

Zijn zoon Anton, die hem in 1933 opvolgde, bouwde het bedrijf uit tot een van de grootste in Europa. Zoon Ben, de derde generatie Pels, huwde de dochter van orgelmaker D’Hondt uit Herselt in België en zette diens bedrijf voort onder de naam Pels D’Hondt, thans onder leiding van de 4e generatie Gérard Pels. Na het overlijden van Anton Pels werd Rochus van Rumpt, die de belangen voor Pels behartigte in Zuid-Nederland en België, mede-eigenaar. Onder zijn leiding kwam in 1964 een fusie tot stand met de eveneens in 1903 door Gerrit Van Leeuwen te Leiden opgerichte orgelmakerij. De gezamenlijke werkzaamheden werden vanuit Alkmaar voortgezet onder de naam Pels & Van Leeuwen. Er werden vanaf dat moment nog uitsluitend traditionele orgels gebouwd met sleepladen. In 1970 verplaatste de familie Van Rumpt de orgelmakerij naar hun geboortestreek beneden de grote rivieren. Binnen de selecte groep van traditionele ambachtslieden kwam het accent steeds meer te liggen op de restauratie van historische instrumenten. De kennis en ervaring die hierbij werd opgedaan werd vertaald toegepast bij de bouw van nieuwe orgels onder leiding van de huidige directeur Peter van Rumpt, die zijn intrede in het bedrijf deed in 1969. In samenwerking met adjunct directeur Jan Bambacht initieerde hij een sterke artistieke ontwikkeling en werden de orgels weer puur ambachtelijk gebouwd.

Werkterrein en stijl
Het werkterrein van de orgelmakerij concentreert zich in Nederland en België op restauratie en onderhoud. Vanuit de rijke historie in eigen huis is een ruime ervaring en vakkennis aanwezig van alle tractuursystemen zoals traditionele- en moderner mechanische, maar ook pneumatische, elektro-pneumatische, direct elektrische en digitaal bestuurde systemen. De nieuwbouwprojecten worden in toenemende mate in het buitenland gerealiseerd met een concentratie in de Verenigde Staten (Midwest en Arizona), Oost Azië (Zuid Korea, Taiwan en Japan) en binnen Europa in Scandinavië (Noorwegen en Zweden). Pels & Van Leeuwen ontwikkelde een eigen stijl en klankkarakter vanuit de Nederlandse orgelbouwtraditie in het derde tot vierde kwart van de negentiende eeuw, met invloeden vanuit de Franse romantiek, echter nooit als kopie maar als een doorontwikkeling van bestaande en verdwenen tradities op basis van de actualiteit van het hedendaagse gebruik van orgels en de daarbij toegepaste ruime keuze van orgelliteratuur.

Orgels in Brabant
Deze Brabantse orgelbouwer heeft ook in onze provincie een aantal nieuwe orgels gebouwd, maar ook belangwekkende restauraties uitgevoerd aan historische orgels. Bij nieuwbouw denken wij niet alleen aan de grote orgels in het Frits Philips Muziekcentrum en de Technische Universiteit te Eindhoven, maar ook aan de wat bescheidener orgels voor o.a. het Fontys Conservatorium te Tilburg en het Centrum voor de Kunsten te Eindhoven. Ook in Brabantse kerken treffen wij recent gebouwde orgels van Pels & Van Leeuwen, waarbij plaatsen als Schijndel, Drunen, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Sint Willibrord en Drongelen genoemd mogen worden. Voor zeer recente restauraties van historische orgels in onze provincie noemen we de orgels van Handel, Elshout en Waalwijk. En op 22 maart 2009 is de reconstructie voltooid van het Nolting-orgel in Oploo.

Uit de Brabantse Orgekrant 2009, door Wim van der Ros

Schaijk, Sint-Antonius Abt kerk (1932)

Waalwijk, Sint-Jan de Doper kerk (1932)

Tilburg, Maria Margaritakerk (1941)

Eindhoven, Technische Universiteit (1966)

Etten-Leur, Sint-Lambertuskerk (1967)

Vught, NH Lambertuskerk (1979)

Eindhoven, Muziekgebouw (1993)

en Schijndel, Drunen, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Sint Willibrord en Drongelen (recent).

 

Hans van Rossum
J.C. van Rossum, clavecimbel- en orgelbouwer, restaureert een aantal Brabantse orgels.

Hans van Rossum bezig met het stemmen van het van Hirtum-orgel in Hilvarenbeek.

Het is iedere keer weer boeiend een bezoek te brengen aan het atelier van, en in gesprek te zijn met Hans van Rossum. Want telkens weer hoor je boeiende verhalen en zie je het prachtige werk dat hij onder handen heeft. Samen met zijn medewerkers is hij momenteel bezig met de restauratie / reconstructie van het orgel van Saar (Duitsland) dat dateert uit de 2e helft van de 18e eeuw. Hans was vanaf 1966 werkzaam geweest bij de orgelmakersfirma K.B. Blank in Herwijnen voorat hij in 1990 de stap naar zelfstandigheid zette.

Een stukje historie
Zijn eerste orgel dat hij in zijn eigen werkplaats bouwde was dat voor Praag. Op de vraag hoe hij daar contacten had gelegd, vertelt hij: “Peter van Dijk (organist en orgeladviseur) maakte destijds voor de KRO-radio en Wereldomroep een serie opnames waarbij hij veel historische instrumenten in o.a. Tsjechië en Duitsland bespeelde. In kort tijdsbestek moest ik voor de opnames zorgen dat die orgels, die soms in erbarmelijke toestand verkeerden, weer bespeelbaar waren. Daarbij heb ik veel van die orgels leren begrijpen, veel organisten leren kennen en veel goodwill gekweekt voor mijn werk. Mede door dat werk kreeg ik veel inzicht in de orgelbouw in de diverse stijlperiodes in allerlei streken en tijden. Daardoor leer je breder kijken en ga je verbindingen zien tussen gebieden. Door het vertrouwen dat men daar in mij had gekregen, resulteerde dit o.a. in een aantal opdrachten voor nieuwbouw en restauratie van orgels in die regio’s.” Maar ook in Nederland kreeg hij opdrachten tot restauratie en nieuwbouw. Om in Brabant te blijven: in 1991 restaureerde hij het Vollebregtorgel in de Lutherse kerk in Heusden, waarna in onze provincie o.a. restauraties volgden in Almkerk (Adema).

Orgelbouw is een ambacht.
Orgels maken leer je, zoals bij alle ambachten, “van meester op gezel”. Zo gebeurt het nog steeds. Bernard Pels kon dan ook in 1903 melden dat hij in Alkmaar zijn eigen bedrijf startte: “Ondergeteekende, gedurende 19 jaar als Orgelmaker, waaronder 3 jaar als chef, bij de firma Wed. L.IJpma werkzaam geweest zijnde, neemt de vrijheid, ter Uwer kennisse te brengen, dat hij zich sedert Februari 1903 voor eigen rekening heeft gevestigd als Orgelbouwer, Reparateur, Stemmer enz. ….” J.C. van Rossum, clavecimbel- en orgelbouwer, restaureert een aantal Brabantse orgels Geertruidenberg (Vollebregt), Hilvarenbeek (Van Hirtum) en Stiphout (een kabinetorgel, waarbij als bouwer gedacht wordt aan Hess of iemand uit zijn school).

Huidige en komende restauraties ook in onze provincie.
Begin 2009 zien wij in zijn atelier o.a. delen van het orgel van de Oud-Katholieke kerk in Krommenie en windlade en pijpwerk van een kabinetorgel uit de 2e helft van de 18e eeuw.

De restauratie van het Van Dam-orgel in Brakel (uit 1899) wordt in 2009 voltooid.
En voor wat betreft onze provincie: in juli van dit jaar gaat het Van Hirtum-orgel uit Esch bij hem in restauratie. Deze restauratie moet in 2010 voltooid zijn. En in 2010 zal het Van Hirtum-orgel in Diessen door hem gerestaureerd gaan worden.

Uit de Brabantse Orgekrant 2009, door Wim van der Ros

 

Verschueren Orgelbouw

Al meer dan een eeuw is de naam Verschueren te Heythuysen bekend in de orgelwereld. Na een leerschool in de meubelmakerij en na vijf jaar werkzaam te zijn geweest bij de vooraanstaande orgelmakersfirma Maarschalkerweerd in Utrecht, richtte Léon Verschueren in 1891 zijn eigen bedrijf op. Zijn eerste nieuwe (mechanische) orgel bouwde hij in 1896 voor de Hervormde Noodkerk te Schagen. Mede door de invloed van de Zuidduitse orgelmaker Max Bittner, die van 1904 tot 1955 in het bedrijf werkzaam was, werd de Zuidnederlandse orgelcultuur verrijkt met Duitse laatromantische principes, waarbij het orgel uit 1929 in de St.-Petruskerk in Gulpen als voorbeeld genoemd mag worden.

Familiebedrijf
Vanaf 1920 traden de vier zonen van Léon Verschueren toe tot het bedrijf, waarvan Léon (II) later de algehele leiding kreeg. Zoon Emile leidde het filiaal in het Belgische Tongeren, dat vanaf 1951 verzelfstandigd werd. Zoon Ton was verantwoordelijk voor de boekhouding en de overzeese export, terwijl zoon Frans, opgeleid bij de Zwitserse firma Kuhn A.G., de verantwoording droeg voor de pijpenmakerij en de intonatie-afdeling. Internationale versterking vanuit de Oostenrijkse orgelbouw (Helmut Brauner) en de Franse school van Cavaillé-Coll (Henri Grados) zorgden voor een breder zicht op stromingen, principes en werkwijzes in de orgelbouw en een goede opleiding van de medewerkers.

Heroriëntatie
Nadat in de naoorlogse jaren weer rugwerken werden gebouwd en vanaf 1953 ook weer met mechanische tractuur werd gebouwd, zien wij in het oeuvre van Verschueren in de 50-er en 60-er jaren nog veel “open fronten” maar ook historiserende orgelkassen. Belangrijke restauraties van historische orgels gaven een impuls aan de hernieuwde oriëntatie op de historische orgelbouwprincipes. Naast de restauratie van het Le Picard-orgel in de St. Martinuskerk te Gronsveld (in 1974) moet hierbij zeker het Robustelly-Smits-orgel in de St. Lambertuskerk te Helmond (in 1976) genoemd worden. Vanaf 1977 wordt de orgelmakerij geleid door de derde generatie Verschueren in de persoon van Léon III, zoon van Frans Verschueren. Onder zijn leiding wordt consequent aangesloten bij historische orgelbouwwijzen. Aanvankelijk vooral bij de Zuidnederlands-Luikse orgelbouw uit de 17e en 18e eeuw. Na 1980 ook bij andere (noordelijker) cultuurgebieden en bij de 19e eeuwse orgelbouw. Sedert 1986 nemen Verschueren orgels prominente plaatsen in op de orgellandkaarten van bijvoorbeeld Nederland, België, Duitsland, Finland, Italië, Noorwegen, Oostenrijk en Zweden. In 1991 kreeg Verschueren Orgelbouw bij haar 100-jarig bestaan het predikaat “Bij Koninklijke Beschikking Hofleverancier”. Op 30 april 2004 werd Léon III door H.M. Koningin Beatrix benoemd tot “Ridder in de Orde van Oranje Nassau” als bijzondere waardering en grote erkentelijkheid voor zijn werk als Algemeen Directeur van Verschueren Orgelbouw Heythuysen B.V. alsmede voor zijn diverse bestuurlijke activiteiten ten behoeve van ontwikkelen en behoud van de orgelbouw in Nederland en het uitdragen van de Nederlandse orgelcultuur.

Belangrijke projecten
Van de recente opzienbarende nieuwbouwprojecten in ons land moeten zeker het Bach-orgel in de Grote Kerk te Dordrecht (2007) en het recent in gebruik genomen symfonische orgel in het Orgelpark in Amsterdam (2009) genoemd worden. In onze provincie tekende Verschueren de afgelopen jaren voor veel belangwekkende restauraties, zoals die van de orgels Boxtel, Escharen en Cuijk. De meest recente activiteiten zijn restauraties en reconstruties van de orgels van Bergen op Zoom, Vessem, Deurne en Someren.

Uit de Brabantse Orgekrant 2009, door Wim van der Ros

Boxtel, Heilig Hartkerk (1937/1955)

Uden, Sint-Petruskerk (1941)

Zevenbergen, RK BartholomeusKerk (1946/47)

Eindhoven, Trudo-kerk (1948)

Eindhoven, Heilig Hartkerk (1948)

Oss, Onze Lieve Vrouwe kerk (1950)

Terheijden, Sint-Antonius Abtkerk koororgel (1956)

St.Oedenrode, Sint-Martinuskerk, koororgel (1959)

Beugen, Maria t.Hemelopneming kerk (1963)

Oosterhout, Sint-Janbasiliek (1977)

Wouw, Sint-Lambertuskerk (1984)