Eindhoven

Technische Universiteit


Het Pels en van Leeuwen-orgel (1966)

orgelfront

Op initiatief van de toenmalige rector magnificus van de Technische Universiteit, prof.dr. K. Posthumus, werd besloten in het nieuw te bouwen auditorium een orgel te plaatsen. De realisatie ervan werd mede mogelijk gemaakt door een schenking van Philips. Onder advies van de organisten Hub Houët en Feike Asma werd door de orgelbouwer Pels & Van Leeuwen dit orgel ontworpen. De dispositie van het orgel werd zo samengesteld dat het als solo-instrument optimaal geschikt is om orgelliteratuur uit alle stijlperiodes goed te doen klinken. Daarnaast is het ook geschikt om b.v. in samenspel met een orkest te gebruiken. Dit impliceerde dat het orgel over veel klankvariaties moest kunnen beschikken. Wil de orgelliteratuur uit vele eeuwen optimaal vertolkt kunnen worden dan vereist dat een opbouw met meerdere klavieren, waarbij ieder klavier zijn specifieke stemmen dient te hebben.
Om ook symfonische orgelmuziek te kunnen vertolken, werd een zg. zwelwerk met een vrij ruime dispositie in het ontwerp opgenomen. Uiteindelijk ontstond een orgel met 50 stemmen, verdeeld over drie klavieren en pedaal.
Omdat het orgel in een grote hal met een glazen achterwand geplaatst zou worden, werd besloten het gedeeltelijk 'doorzichtig' te maken: de orgelkassen werden vervaardigd van transparant acrylaat in plaats van het gebruikelijke eikenhout. Ook alle mechanieken bleven zichtbaar. Zo werd dit orgel dat in 1966 werd opgeleverd, qua opbouw en uitvoering een uniek instrument. Nederland beschikt maar over weinig concertzalen en de daar geplaatste orgels zijn doorgaans van geringe omvang, zodat daarop slechts een beperkt deel van de beschikbare muziek uit de verschillende stijlperioden optimaal kan worden vertolkt.
De akoestiek van de ruimte, het auditorium, waarin het TU-orgel staat, is helaas slecht, waardoor het orgel niet goed tot zijn recht komt.

De werken

Het orgel van de TU heeft 4 werken: 3 manualen en het pedaal. De manualen corresponderen met het hoofdwerk, het rugwerk (waar de organist achter de speeltafel met zijn rug naar toe gekeerd zit) en het zwelwerk. Deze 3 werken hebben ieder hun eigen windlade en hun eigen kas. Het pedaal is, vanwege zijn omvang en de architectuur, verdeeld over twee lades.
De windvoorziening met de balgen bevindt zich achter het orgel. Via de buizen, die tevens een functie hebben in de draagconstructie, komt de wind naar de lades van de diverse werken. Het hoofdwerk is een orgel op zich, met veel klankmogelijkheden, voornamelijk gebaseerd op prestantstemmen. Het rugwerk is een soort verkleinde afspiegeling van het hoofdwerk, waarbij echter de fluiten duidelijker aanwezig zijn. Bij beide werken zijn een aantal solo-registers aanwezig, waarvan met name de horizontale tongwerken ('en chamade'), ook wel 'Spaanse trompetten' genoemd, speciaal vermeld moeten worden.
Het zwelwerk heeft een samenstelling met veel fluit- en strijkstemmen. Tevens bevat het veel solistische stemmen. Het zwelwerk heeft aan de voorzijde vanaf de speeltafel te bedienen zwel-deuren (verticale jaloezieën), waardoor de klanksterkte 'gedempt' kan worden door het geheel of gedeeltelijk sluiten van de deuren. Dit wordt veel toegepast in orkestrale, romantische muziek.
Het pedaal heeft een 'zwaardere' bezetting voor de bas-functie, maar kent ook een aantal solo-stemmen, waardoor een melodie op het pedaal kan worden gespeeld tegenover omspelingen op de manualen. Markant is de aanwezigheid van een Gedekte Trompet 32', waarvan de langste pijp een grondfrequentie heeft van 16 Hz.
De bezetting met 14 tongwerk-registers op een totaal van 50 stemmen geeft ook de mogelijkheid tot het vertolken van een breed scala van de orgelmuziek uit alle eeuwen.

Plaatsing van de pijpen
Het front van een orgel wordt niet alleen gekarakteriseerd door de werken-indeling en -plaatsing, maar ook door de indeling van het frontpijpwerk, de totale architectuur. In het front staan doorgaans de grootste pijpen van het grootste prestant-register van het betreffende werk. Zo hier bij het hoofdwerk de Prestant 8', bij het rugwerk de Prestant 4' en bij het pedaal de Prestant 16'. Het zwelwerk heeft, door de aanwezigheid van de zwel-deuren, geen pijpenfront. Bij het TU-orgel staan de pijpen in de zg. terts-opstelling. Dit houdt in dat, vanaf de grootste pijp gezien, de tweede pijp in een tweede pijpenveld staat, de derde in een derde, de vierde in het vierde en laatste pijpenveld. De vijfde pijp, de terts, staat weer in het eerste veld, en zo vervolgens verder. Dit is niet alleen gedaan vanwege het visuele aspect. Het naast elkaar zetten van elkaar opvolgende pijpen (een chromatische pijpopstelling) kan er, vooral bij grotere pijpen, de oorzaak van zijn dat een naaststaande pijp van praktisch gelijke lengte gaat meeklinken. Door de tertsopstelling kan dit worden voorkomen.

Gevoelige klanken
Op het zwelwerk treffen wij een aantal `romantische' stemmen aan. Naast de vioolachtig klinkende `Salicional' zien wij de 'Voix Céleste', een `hemelse stem'. Deze stem is iets hoger gestemd dan de Salicional en bij gezamenlijk klinken ontstaat er een zekere zweving in de totaalklank. Deze registercombinaties treffen wij alleen aan bij de grotere concert-orgels, hoewel zij in het verleden als gevoelige stemmen ook wel op kleinere orgels voorkwamen.

De mechanieken
De registermechaniek, om de slepen van de diverse werken te openen en te sluiten, is op een moderne - e voor een concertorgel ook praktische - wijze uitgevoerd. In plaats van mechanische verbindingen worden de slepen bediend d.m.v. elektro-magneten. Op deze wijze zijn de registerknoppen voor de verschillende stemmen in feite schakelaars voor het aan- en uitzetten van deze stemmen.
Mede hierdoor is het mogelijk in een `geheugen' tevóren tot 14 register-combinaties te programmeren. Deze vrije combinaties bieden de mogelijkheid tot snelle wisseling van registraties in met name grotere orkestrale orgelwerken.


De speeltafel van het TU-orgel

De registers zijn aan weerszijden op de 4 registerbanken banken aangebracht, corresponderend met de 4 werken.
De koppels waarmee het pedaal aan de manualen kan worden gekoppeld, of waarmee manualen onderling gekoppeld kunnen worden, zijn zowel met een registertrekker -midden boven de manualen- als met een voetpiston -boven het pedaal- te bedienen. Tevens zijn daar de voetpistons voor de vrije combinaties aangebracht. Rechts naast de voetpistons zien wij de trede voor het openen en sluiten van de zweldeuren van het derde manuaal, het zwelwerk.


Hoeveel pijpen heeft dit orgel?

Weinig mensen realiseren zich hoeveel pijpen een orgel heeft. Uiteraard verschilt dat aantal per orgel, want het hangt af van het aantal registers en het aantal toetsen van het orgel. Het TU-orgel heeft 3 klavieren met ieder 61 toetsen (5 octaven). Het pedaal heeft 32 toetsen (2 1/2 octaaf). Het hoofdwerk heeft 13 registers, waarvan 3 met meerdere pijpen: Sesquialter II, Mixtuur VI en Cymbel IV. Dat betekent 9 pijpen extra per toets, totaal dus 13 + 9 = 22 pijpen per toets. Het hoofdwerk heeft 61 toetsen dus 61 x 22 =1 342 pijpen.
Uit een soortgelijke berekening volgt:’
Hoofdwerk: 61 x 22 = 1342 pijpen. Rugwerk: 61 x 12 = 732 pijpen. Zwelwerk: 61 x 19 = 1159 pijpen. Pedaal: 32 x 16 = 512 pijpen.
totaal dus: 3745 pijpen.
In werkelijkheid zijn niet alle registers helemaal 'sprekend', waardoor er totaal 3713 pijpen zijn.

Tekst: Wim van der Ros

Dispositie

Hoofdwerk (C-c4) Positief (C-c4) Zwelwerk (C-c4) Pedaal (C-g1) Speelhulpen
24. Quintadeen 16’
25. Prestant 8’
26. Roerfluit 8’
27. Octaaf 4’
28. Gedekte fluit 4’
29. Superoctaaf 2’

30. Prestantquint 2 2/3’
31. Sesquialter II 2 2/3-1 3/5’
32. Mixtuur VI 2’
33. Cymbel IV 1/2'
34. Dulciaan 16’
35. Trompet 8’
36. Schalmei en Chamade 4’

24 t/m 29 Links

14. Gemshoorn 8’
15. Holpijp 8’
16. Prestant 4’
17. Roerfluit 4’
18. Speelfluit 2’

19. Quint 1 1/3’
20. Scherp IV 1’
21. Kromhoorn 8’
22. Trompetregaal
en chamade 8’
23. Tremulant

14 t/m 18 Links

37. Openfluit 8’
38. Bourdon 8’
39. Salicional 8’
40. Voix Céleste 8’
41. Italiaanse Prestant 4’
42. Blokfluit 4’
43. Octaaf 2’
44. Flageolet 1’

45. Nasard 22/3’
46. Terts 13/5’
47. Mixtuur V 11/3’
48. Bombarde 16’
49. Trompette 8’
50. Basson-Hobo 8’
51. Klaroen 4’
52. Tremulant

37 t/m 44 Links

1. Prestant 16’
2. Subbas 16’
3. Prestant 8’
4. Gedekt 8’
5. Roerquint 5 1/3’
6. Octaaf 4’
7. Doublette 2’

8. Mixtuur IV 2’
9. Gedekte Trompet 32’
10. Bazuin 16’
11. Trombone 8’
12. Trompet 4’
13. Cornet 2’

1 t/m 7 Links

Koppelingen Boven manuaal III
53. Pedaal Rugwerk
54. Pedaal Hoofdwerk
55. Pedaal Zwelwerk
56. Rugwerk aan Hoofdwerk
57. Zwelwerk aan Hoofdwerk
58. Zwelwerk aan Rugwerk

Diversen:

VC (14)
Pistons 1 t/m 7
Knop A en B boven manuaal III
Onder klavier I
Oplosser (zwart)
Insteller VC (rood)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Positie Registerpistons aan speeltafel:

Zwelwerk 4e terras L & R
Hoofdwerk 3e terras L & R
Rugwerk 2e terras L & R
Pedaal 1e terras L & R